Carrière switch

Onlangs kwam ik op een begrafenis (zo gaat dat) vrienden uit een ver verleden tegen. Mensen waar ik begin jaren tachtig intensief mee omging. Sinds 1987 had ik ze niet meer gezien. Dertig jaar geleden. Probeer maar eens dertig jaar samen te vatten in een antwoord op de vraag: hoe is het met jou en wat doe je tegenwoordig? We hebben nog wat vervolgafspraken nodig om die hele periode te bespreken.

Maar goed, de vraag kwam dus: wat doe je tegenwoordig. En, heel grappig, als vanzelf gaf ik als antwoord: ‘Ik ben dit jaar van carrière geswitcht.’

Ik merkte dat ik mezelf verraste met dit antwoord. Voor mij is de verandering geleidelijk gegaan, uiteraard, en voor de mensen dichtbij mij ook. Maar de vrienden uit het verleden hebben natuurlijk geen idee wat er allemaal aan vooraf is gegaan. De verrassing voor mezelf zat erin dat de omschrijving ‘carrière switch’ zo goed past bij waar ik mee bezig ben. Sommige mensen zeggen tegen me dat ik een wel erg jonge pensionada ben en zelf vertel ik ook weleens heel stoer dat ik sinds juni van dit jaar met pensioen ben. En toch zit me dat dan niet lekker. Want vervolgens ga ik dan omstandig uitleggen wat ik allemaal nog wel doe.

Dus: een carrière switch! Van wat naar wat dan? Van zelfstandig communicatieadviseur en woordvoerder naar coach en yogadocent (in opleiding). En met die nieuwe rollen ben ik al begonnen toen ik als zzp-er werkte. Ik coach mensen met de training The Artist’s Way en ik geef yogalessen terwijl ik de opleiding tot yogadocent volg (nog een kleine twee jaar van de vier jaar te gaan). Die geleidelijke overgang (switch dus) is heel onbewust gegaan. Toen ik het combineerde met mijn leven als zzp-er ging het prima (ik reserveerde maximaal drie dagen per week voor opdrachten) en nu ik het niet meer hoef te combineren gaat het ook prima. Beter.

De nieuwe rollen passen heel goed bij hoe ik mijn huidige leven invul: met meer vrijheid om mijn tijd in te vullen en daardoor bewuster en minder gehaast in het leven te staan. Zowel The Artist’s Way als yoga zijn daarin belangrijk (geweest) voor hoe ik hier ben gekomen. De beslissing om The Artist’s Way te volgen en nu zelf te geven en de keus om de yogadocenten-opleiding te volgen heb ik heel bewust gemaakt. Maar de ontwikkeling naar deze rollen als invulling van mijn werkzame leven is een gevolg van deze keuzes die ik niet had kunnen voorspellen. Ik geniet er volop van. (Volgende stap is mijn website aanpassen.)

 

 


Lief dagboek

Al twee jaar houd ik mij bezig met The Artist’s Way van Julia Cameron en telkens opnieuw ben ik verrast door wat me overkomt. Ik weet wel beter: het overkomt me niet; ik zet het zelf in gang. Maar toch voelt het steeds weer alsof iets of iemand anders het voor me regelt. Ik zal me nader verklaren.

Een van de dingen die je door de methode van Julia Cameron leert, is uit te spreken en op te schrijven wat jouw wens of droom is. Een boek schrijven, goed worden in yoga (maar geen studio kunnen vinden in de buurt), je wilt ideeën omzetten in een training waardoor mensen geholpen worden in hun persoonlijke ontwikkeling, succesvol acteur worden, een solo-expositie krijgen voor jouw schilderijen, terwijl je eigenlijk alleen maar bekend staat om je tekeningen.
Op het moment dat je het opschrijft en uitspreekt, ontstaat er een beweging. Je komt iemand tegen die de yoga-docentenopleiding gedaan heeft en je komt daardoor op het idee om yogadocent te worden om op die manier goed te worden in yoga. Je komt een schrijfcoach tegen die je helpt met de opzet van je boek. Iemand nodigt je uit om jouw schilderijen en tekeningen te exposeren en je mag zelf uitkiezen wie de opening verricht. Je kiest voor een museumdirecteur die bovendien ook nog een van je schilderijen koopt.

Toeval?
Het klinkt als toeval, maar Julia Cameron noemt het synchroniciteit. En het is het gevolg van het volledig concentreren op jouw droom. Door die concentratie, die focus, staan je zintuigen op scherp en straal je een bepaalde energie uit. Die energie wordt opgepikt door je omgeving. Door het universum zelfs, volgens Cameron. Het universum zorgt dan voor de verbinding. Je mag het zweverig vinden, maar in mijn ervaring is het dat absoluut niet. Het is vooral erg inspirerend, leuk en verrassend. En je krijgt er ontzettend veel nieuwe energie van.

Morning Pages
Die synchroniciteit kan ook in kleine dingen zitten. Zo las ik afgelopen weekend een artikel in NRC Lux (door Ellen de Bruin) over schrijven in een dagboek. Uit onderzoek blijkt dat dagelijks schrijven helpt om gevoelens en gedachten van je af te schrijven en op te ruimen. Dat het orde brengt in de ‘binnenhoofdse chaos’. En dat het helpt om je leven beter te kunnen inrichten. Uit onderzoek blijkt ook dat het voor depressieve mensen en voor mensen met een trauma enorm helpt om dagelijks (of in een ander vast ritme) te schrijven.

Een vast onderdeel van The Artist’s Way is het schrijven van Morning Pages. Elke ochtend drie pagina’s schrijven over de dingen die in je opkomen. Elke ochtend weer. ‘Stay on your Morning Pages’, adviseert Cameron telkens weer. Want dan worden blokkades en negatieve gedachten geëlimineerd en opgeheven en gaat de creatieve energie stromen.

Ik kan uit eigen ervaring zeggen: het klopt. Het is echt waar. Andere Artist’s Way deelnemers zeggen hetzelfde. Vanmorgen had ik weer zo’n ervaring. Ik had al een tijdje de Morning Pages verwaarloosd en vannacht lag ik een paar uur wakker. Piekeren. Lijstjes maken. Malen. Hoofdpijn. Vanmorgen pakte ik mijn schrift en ben gaan schrijven. Zonder nadenken, rechtstreeks van mijn hersens naar mijn hand en via de pen op het papier. En er kwamen oplossingen. Er kwam ordening in het gepieker en ik kwam tot de ontdekking dat het gepieker iets anders bedekte. Iets wat ik al langere tijd vermeed om over na te denken. En ineens, tijdens het schrijven, gingen mijn boodschappenlijstjes over in het omschrijven van dat probleem en hoe ik dat moest gaan oplossen. Wat de eerste stap moest zijn, de tweede en de volgende. Kortom: een lijstje, maar dan wel een die lucht gaf. En mijn hoofdpijn was weg. Er kwam energie voor in de plaats. Ik heb er geen wetenschappelijk onderzoek voor nodig: schrijven helpt.


Het creatieve kind

Het verplicht stellen voor scholen van een bezoek aan het Rijksmuseum heeft al diverse reacties opgeroepen. Mij bevreemdt het nogal. Ik kan mij herinneren dat ik op de lagere school naar zowel het Stedelijk als het Rijksmuseum ging in schoolverband. En niet één keertje, nee meerdere keren. Ik kom ook nu vaak klassen tegen in musea die ik bezoek.

Op zich natuurlijk een goed idee om kinderen met kunst in aanraking te brengen, maar dat gaat natuurlijk veel verder dan alleen het Rijksmuseum. Christiaan Weijts schrijft er in NRC (29 september 2017) het volgende over: “Ga naar Kröller-Müller, Lakenhal of de Fundatie. Ga naar Dordrecht, Emmen, Goes. Ga naar mooie theatervoorstellingen. (…) Laat ze muziek horen, en dichters. Laat ze dansers en designers zien. Leer ze beeldhouwen desnoods, bronsgieten, dromen. Maar laat in godsnaam af en toe een kind nog kreten van verwondering slaken, …..”

Ik ben het zo ontzettend eens met deze oproep. Als kind heb je een ruime fantasie en die moet gevoed worden. En dat kan vooral door naar verschillende vormen van kunst te kijken en te ervaren. Koester dat creatieve kind. Dat geldt overigens ook voor volwassenen. Als je alles mag wensen, hoe ziet jouw leven er dan uit? Verbeeld je dromen.


Mensen houden van kunst

Ik was op bezoek bij Kim Atkinson, een Engelse kunstenares wonend in Wales. Ze maakt schilderijen, prints en tekeningen op basis van wat ze ziet in de natuur. Ze laat zich inspireren door de dag, de sfeer, de atmosfeer, het weer, de vogels. Ze vertelde me dat ze sinds lange tijd een dagboek bijhoudt van de lucht. Ze liet me een stapel boekjes zien waar ze haar dagelijkse luchten in vastlegt met waterverf. Ze heeft haar ‘dagboek’ nodig om haar creativiteit actief te houden. De boekjes zien er prachtig uit, heel inspirerend ook. Haar dagboekjes doen me denken aan The Morning Pages van The Artist’s Way.

We spraken over The Artist’s Way en over de kracht van het dagelijkse schrijven en voor haar dus schilderen. En we spraken over de twijfels die iedere artiest, of iemand die een droom realiseert, wel heeft: heeft het allemaal wel zin wat ik doen. Kim zei tegen me: “Mensen houden van schilderijen en mensen houden van lezen. Blijf creëren, want de wereld zou er vreselijk uitzien zonder kunst!”

Kim heeft gelijk en ik besluit het schrijven weer op te pakken. En ik krijg direct heel veel zin om weer mensen te begeleiden in hun zoektocht naar inspiratie. Wil jij ook jouw (creatieve droom) verwezenlijken? Kijk dan eens hier.


Tenenkrommend

Dat was het gesprek dat ik hoorde tijdens het radioprogramma De Ochtend op 7 oktober. Dit tenenkrommende gesprek vond plaats in het Mediaforum, bestaande uit Charles Groenhuijsen en Jean Pierre Geelen, samen met de presentatoren Jurgen van de Berg en Ghislaine Plag. Gebabbel in de studio tussen journalisten, zal ik maar zeggen. Dat kan leuk zijn, maar deze keer was het dus tenenkrommend.

Het Mediaforum babbelt over van alles wat er in de media langs is gekomen en de mannen geven hun oordeel. Het onderwerp in de laatste twee minuten van het programma gaat over een interview dat Sylvana Simons aan de Volkskrant heeft gegeven. In dat interview zegt Sylvana, zo leest Ghislaine voor: ‘Bij de redactie van RTL zijn ze wit, ze denken wit en dat verandert niet.’ De vraag aan het forum: is dit een echt probleem?

Voordat de vraag gesteld is, zit Charles Groenhuijsen al te kreunen: “Nee, nee, tjonge, jonge. Krijgen we dit weer? Hou nou toch op zeg. Er zijn genoeg voorbeelden van gekleurde Nederlanders die op tv te zien zijn of hun eigen show hebben.” Jean Pierre Geelen reageert met: “Humberto Tan doet dat heel goed. Die heeft in zijn show mensen met een kleurtje, zonder dat het kleurtje de reden is voor de aanwezigheid. Je ziet mensen met een kleurtje op diverse plekken.” En Groenhuijsen vraagt zich af wat het probleem is.

Mensen met een kleurtje? Krijgen we dit weer? Voor mij zijn deze uitspraken een bevestiging van wat Sylvana Simons zegt. Wat een arrogante, aanmatigende, witte houding.

Geelen wil nog wel toegeven dat het niet helemaal weggeschoven moet worden: “Op de redactie van de NOS werken 300 tot 400 man, van gemiddeld 30 tot 40 jaar, allemaal blank en allemaal met een geruit bloesje. We lijken allemaal erg op elkaar en dat betekent wel iets voor de programma’s.” Ghislaine Plag vraagt: “Maar is dat niet ook de doelgroep?” Oei, dat is wel een beetje domme vraag. Die doelgroep is ook het gevolg van de uniformiteit, Ghislaine. Vervolgens hoor ik haar zeggen: “Ik hoor ook van redacties dat ze ook gewoon niet solliciteren!” ‘Ze’? Over wie heeft ze het?

Ze babbelen nog wat verder over het niet-probleem. Geelen haalt nog een uitspraak van Simons aan waarin zij zegt dat haar vertrek bij RTL waarschijnlijk niets te maken had met haar kleur. Geelen vermoedt dat zij daarmee wil zeggen dat het er waarschijnlijk wel mee te maken heeft gehad. Waarop Charles Groenhuijsen zucht: “De kwaliteit van mensen met een kleurtje speelt een rol. Je moet wel goed zijn. Natuurlijk is er discriminatie maar geef het ook tijd! Er zijn allerlei voorbeelden van gekleurde mensen met kwaliteit.”

En dan moet ik zuchten. Wie moet het tijd geven? De ‘mensen met een kleurtje’? Hebben ‘wij blanken’ zoveel tijd nodig? Op welke planeet leeft deze man? Ik vermoed op een planeet met alleen maar blanke mannen. Hij liet op de valreep nog wel even weten dat hij een gestreept shirt aan had. Zo, dat is afwijkend!


Een boek, een krant en een tas van Primark

Ik ging met de trein van Steenwijk via Amsterdam naar Den Haag om twee redenen: ik wilde het Letterkundig Museum bezoeken en ik wilde een aantal uren in de trein doorbrengen om eens te observeren hoe men in de trein met elkaar communiceert. Welke vormen van communicatie er waar te nemen zijn. Bij elkaar opgeteld toch ruim vijf uur treintijd op drie verschillende trajecten. Of het wetenschappelijk onderbouwd is, weet ik niet, maar het zou me toch zeker een beeld geven.

Op het traject Steenwijk-Amsterdam, via de Hanzelijn, had ik nauwelijks medepassagiers, tot mijn grote verbazing. De twee passagiers die in mijn buurt zaten reisden alleen en waren verdiept in een boek en een krant. Op zich opvallend, in een tijd waarin nogal stellig beweerd wordt dat de krant en het boek ten dode zijn opgeschreven. Hun vorm van communicatie was er duidelijk een van informatie vergaren (krant) en verstrooiing, geestelijke verrijking of ontspanning (boek).

Het was dus stil in de trein. Geen geroezemoes of gepraat. Totdat ik kinderstemmen hoorde. De kinderen zelf waren voor mij niet te zien. De stemmen klonken steeds luider tot het geschreeuw werd. Hoog oplopende, serieuze ruzie. Het hield een tijd aan, zodat ik maar eens poolshoogte ging nemen. In een coupe verderop stond een man (vader?) twee jongens van een jaar of 8 uit elkaar te houden en te kalmeren. De twee lezende passagiers keken even naar mij en haalden hun schouders op. De jongens kalmeerden en ik zocht mijn plaats weer op.

In dit korte moment kon ik dus vier vormen van communicatie onderscheiden: schreeuwen, kalmeren en schouderophalen als reactie op wenkbrauwen omhoog halen. Verbaal en non-verbaal door elkaar. Alles bij elkaar duurde het niet langer dan twee minuten.

Ik moest overstappen en in de volgende trein zaten weer uitsluitend eenlingen. Ik besloot om het experiment voorlopig te laten voor wat het was en verdiepte mij in mijn weekblad.

Het zal door de meivakantie komen, maar het traject Amsterdam-Den Haag was ook weer erg stil en weer viel er door mij niet veel op te tekenen. De reis Den Haag-Steenwijk later in de middag gaf meer stof.

Die reis begon met veel eenlingen. Twee daarvan voerden een telefoongesprek dat woordelijk te volgen was voor de andere passagiers. Het waren korte gesprekken, zakelijk, waarin in beide gesprekken iets bevestigd werd dat al afgesproken was via de mail. Grappig dat beide personen ongeveer hetzelfde deden. Ze zaten niet bij elkaar en hadden niets met elkaar te maken. Wat me opviel is dat geen van beiden moeite deed het gesprek privé te houden. Het is inmiddels gemeengoed dat Jan en allemaal in de trein telefoneert, maar het blijft me verbazen dat men dat zonder gene luid doet. Men heeft kennelijk geen geheimen.

Er stapte een duo in. Een van de twee was continu aan het woord. De tweede humde af en toe als reactie. Nummer een sprak luid, maar door de afstand kon ik de woorden niet verstaan. Net voor de trein vertrok kwam een gezin, man-vrouw-twee dochters-een-zoon, bij mij zitten. Ze zeiden niet veel. Zwijgend gingen ze zitten. De man zei op zachte toon iets tegen zijn vrouw en ze glimlachten naar elkaar. Na vertrek diepte de vrouw een Twix uit haar tas en gaf die aan dochter één. Ze herhaalde het gebaar voor dochter twee en zoon. Iedereen een Twix. De man mocht kiezen uit een Bounty of een Twix. Er wordt geen woord gewisseld, maar ook dit noteer ik als een vorm van communicatie: moeder verwent haar gezin; het gezin is tevreden. De man toonde zijn dochter iets op zijn smartphone. Ze wisselden een paar woorden op zachte toon en glimlachten. Ze keken naar buiten, lazen niet en waren rustig. Een man tegenover de twee dochters gaf een deel van de krant die hij leest aan een van de dochters en wees op een artikel dat zij misschien wel leuk vindt om te lezen. Het gaat over een konijn van 1,5 meter. Zij lachte tijdens het lezen en gaf het artikel later door aan haar moeder. Allemaal vormen van communicatie zonder dat er veel woorden over en weer gaan. En toch is er interactie.

De trein werd drukker en rumoeriger. Daardoor werden de kinderen ook iets rumoeriger. Of misschien is het de verveling; we waren al een uur onderweg.

Er stapten twee vriendinnen en een vriend in. Ik kon ze niet zien, maar wel horen. Ze praatten luid. De jongen (het zijn begin twintigers) belde en moest zijn naam spellen: “dan een W. Nee, een W. Een W. W. Dan een A. Een L. L. Een L. Van Leo.” Enzovoorts. Hij had het spellen volgens het zogenaamde telefoonalfabet nog niet onder de knie. Hij liet de persoon aan de andere kant van de lijn zijn naam noemen en concludeerde: “Nee, dat klopt nog niet.” En begon opnieuw. Na afloop mengde hij zich weer in het gesprek met de twee vriendinnen. Ze communiceerden op een schoolpleintoon en -volume: wat uitsloverig en aandachttrekkend.

Ik had zicht op een jonge vrouw die onophoudelijk met haar duim over het scherm van haar smartphone wreef. Eerst dacht ik dat zij razendsnel berichten tikte, maar dan zie ik dat ze een hele reeks symbolen aanklikte, alsof ze een hele serie foto’s, apps of berichten markeerde en dan verwijderde. Of was ze aan het speeddaten in Tinder? Een zenuwslopende bezigheid in ieder geval, maar op een gegeven moment was ze klaar en leunde ze achterover.

De betrekkelijke stilte van eerder was voorbij. Het leek alsof men het rumoer van elkaar overnam en het nu oké was om lawaai en geluid te maken. Het gezin bij mij nam het rumoer ook over.

In Almere stapten veel passagiers uit en kwamen nieuwe binnen. De sfeer was direct anders. De praters waren uitgestapt, de nieuwelingen waren stil. De smartphones waren alom aanwezig en verzorgden de stille communicatie. Een kind zong. Geen duidelijk liedje, iets onbestemd.

De nieuwe passagiers, vooral jonge meiden, droegen grote papieren tassen van Primark. Ook een vorm van communicatie: “Kijk, ik ben bij Primark geweest en heb heel veel gekocht”. De tassen kraakten, totdat iedereen zat. Toen was het weer stil, als een lome zondagmiddag. Onderbroken door een enkel woord. Het waren nauwelijks gesprekken te noemen. De woorden waren niet echt te verstaan. Ze vervlogen in de coupé. De jonge meiden waren kennelijk doodmoe van het ‘shoppen’. Het zingende kind werd ook stil.